FOKKEN IN DE PRAKTIJK

Door: Doede Wiersma

Een fokmerrie is een reservoir van erfelijke eigenschappen. Iedere fokker moet er naar streven  om merries te krijgen die fokzeker zijn voor het goede type, de juiste manier van bewegen, vruchtbaarheid en het niet hebben van (been)gebreken. Speciale aandacht vraagt het probleem van de inteelt. De fokker moet drie vragen beantwoorden:

 

  1. Wat heb ik?
  2. Waar wil ik heen ?

Hoe bereik ik dat? Dit ideaal kan men bereiken over meerdere generaties.

 

Modern type: Vanaf 1970 groeide het verlangen om een modern Fries paard te fokken.Modern betekent dat  het boerenwerkpaard, uit de periode 1920- 1970, wordt omgevormd tot een  bruikbaar sportpaard voor zadel- en mendressuur, recreatie en tuigen. Het zware, beknopte paard  moest grootramiger, luxer en lichtvoetiger worden. Het KWPN, eerder Gronings en Gelders, gebruikte voor die omvorming onder andere de inbreng van Engelse volbloeden. Het FPS was tegen inbreng van vreemd bloed, dus was het lastiger. Werden vanaf 1920 de groten en ‘smallen’ er uitgewerkt, vanaf 1970 ging het andersom: de beknopte en zware types ruimden het veld.

 

RITSKE (dekjaren:1958-1976) met tweemaal het bloed van de  ranke, hoogbenige YNTE 130 ( 1923-1940) en zevenmaal het bloed van de grondlegger van het ras ALVA 113 (1902-1915), die zeer luxe en hoogbenig was, is de basis van het moderne Friese paard. In de zes hengstenlijnen wordt deze invloed gemarkeerd door Ritske (Ritskelijn) en door hengsten  uit een dochter van Ritske: Bjinse, Ygram, Mark (vader van Hearke, Ygram, Jochem, Sander) en Wessel. Ferdinand, de vader van Naen, heeft  eveneens een Ritskemoeder en stamt uit een  modelmerrie van  de rankere Kerst.

In de periode na 1970 waren het vooral NAEN en JOCHEM die het meest fokzeker bleken voor het moderne type. Zij hadden het meeste YNTE bloed en speelden bij de Friezen de rol van het Engels volbloed bij het KWPN.

Andere hengsten waren  door de invloed van het Obscurant bloed meer fokzeker voor ouderwets.

Daardoor was er steeds weer een terugval naar het meer zware paard. Met name Tsjalling (2X Bouke), maar ook Lammert, Peke en Hearke  konden weinig moderniseren op het nog ouderwetse merriemateriaal. Het grote probleem in dit  stadium is dat paarden die zelf modern zijn, vanwege hun erfelijke aanleg, niet modern fokken. Eigenschappen uit de periode 1920 – 1970, zoals teveel massa, kort voorbeen, zware hals, weinig lengte in zijaanzicht, komen steeds terug.

Teveel hengsten vererven nog het landbouwtype zijn niet fokzeker voor het moderne.

Bij de in 2006 op afstammelingen gekeurde hengsten lees ik viermaal “beknopt”.

 

Bewegen:

Dankzij het verrichtingsonderzoek vanaf 1980 (lichting Oege, Oepke en Peke) is er vooruitgang geboekt op dit terrein. Van een 4 gemiddeld (op beweging) zijn we in de populatie op een zes gemiddeld gekomen. Maar hogerop gaat moeilijk. De oorzaak is de enorme groei van het aantal paarden vanaf 1990. Dit vroeg dringend om meer dekhengsten. Die waren, dankzij verrichtingsonderzoek in beweging wel voldoende, maar niet fokzeker. Dus komen er veel op afstammelingen afgekeurde hengsten. Een hengst moet een absolute topmoeder hebben uit een geconsolideerde merrielijn en daar ontbreekt het meestal aan. De hengsten die wel op afstammelingen zijn goedgekeurd zijn evenmin sterke verervers. Persoonlijk ben ik beducht voor hengsten met een vader en/of moedersvader die op afstammelingen is afgekeurd. Die zijn grillig in de vererving. Zij vererven de fouten waarop ze zijn afgekeurd.

 

Inteelt:

 

Onderste kolom thans actieve hengsten

Een vertikaal streepje = vader/zoon. En zonen; voorbeeld Leffert – vier zonen: Tsjalke, Heinse, Mintse, Onne.

 

 

Bij het inteelt- en het verwantschaps % zien we vooral achteruit. Maar we moeten ook vooruit kijken. Ooit kocht ik Barteld om zijn hoog inteelt %. Maar dat was inteelt op onverwante hengsten, via Naen en Dagho tweemaal Kerstbloed.

Hij had een hoog inteelt % maar zou bij het meerendeel van de merries een laag inteelt % geven.

Zo  is het ook met merries: Meer inteelt op onverwant bloed betekent dat de merrie  met veel hengsten kan worden gecombineerd. Topfokker Foeke van de Velde uit Terwispel hield hier altijd rekening mee en dat leverde hem geen windeieren, maar Walter, Barteld, Beart, Sape, Loadewyk, Jorn en nog veel meer met name preferente merries..

Hengstenkeuze:

Kleur  met een kleurstift in het schema “de zes lijnen” moderne hengsten aan die u echt aanspreken. Kies een hengst uit een ander vak of lijn dan de vader en moedersvader van uw merrie. Kies hengsten waarbij moeder- groot en overgrootmoeder sterke verervers als vader hebben. Let op of die hengst de zwakke punten van uw merrie compenseert.

Maak een stamboom van het te fokken veulen. Zorg ervoor dat een naam van een hengst in de eerste drie generaties van het te fokken veulen niet tweemaal voorkomt. Let hier vooral op bij het combineren van bijvoorbeeld het Leffert x Feitsebloed of combinaties binnen het Hearkeblok.

 

Pas extra op bij de inteelt op Wessel. Heeft uw merrie Wessel als vader of grootvader, komt Wessel tweemaal of vaker voor, kies dan een Wesselvrije hengst: Ludse, Jakob, Beintse, Fabe, Sape, Jorn, Goffert, Gerryt, Olof, Jasper, Beart, Jisse, Ulke, Jillis, Abe, Feitse, Feike, Tsjerk, Hinne.

 

Voldoening:

Wie met succes wil fokken moet beginnen met een merrie uit een doorgefokte stam met veel preferent bloed. Hij/zij moet zeer kritisch zijn voor het eigen dier.

Ik las eens dat aan kathedralen soms door drie generaties is gewerkt. De eerste twee beleefden de voltooiing niet. Hun plezier was dat ze er aan gewerkt hadden.

Zo is het met merriestammen. Het zijn prachtige bouwwerken  van vele generaties.

Onze voldoening is dat we er aan gewerkt hebben.